Delen     Populaire blogs     Volgende blog »
Blog maken     Inloggen
_
Cookies op 50plusser.nl

50plusser maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. 50plusser gebruikt functionele en analytische cookies om u een optimale bezoekerservaring te bieden. Bovendien plaatsen derde partijen tracking cookies om u gepersonaliseerde advertenties te tonen en om buiten de website van 50plusser relevante aanbiedingen van 50plusser te doen. Ook worden er tracking cookies geplaatst door social media-netwerken.
Door op Akkoord te klikken gaat u hiermee akkoord.

Akkoord
 
Geen cookies


Klik hier voor meer informatie.
Berndt's weblog
No boss, no phone, no worry, no hurry, retired
_
Home__Weblog__Prikbord__Fotoblog__Videoblog__Foto's__Links__Gastenboek__Vrienden__Zoeken__Tip__Login
_

Welkom op mijn Weblog


Hallo, dit ben ik………. Leuk dat je mijn weblog bekijkt. Er is van alles te bekijken. Via “categorieën overzicht" hieronder kan je van alles aanklikken. Laat alsjeblieft een berichtje achter / als “gast” (geen abonnee van 50plussers) is het prettig als U Uw naam erbij zet WELCOME IN MY WORLD



Mijn Profiel

sunrise
Ik ben nu offline

• Mijn profiel
• Privé bericht sturen
• Als vriend toevoegen

Toevoegen als weblog vriend



Zoeken in Google
_



Categorieën Overzicht




Laatste Weblog artikelen

Verbeteringen en vernieuwingen
20 augustus 2016 19:45

Oorlogsmuseum De jaren 1940-19...
02 december 2015 13:19

Mijn vader gedenken
03 november 2015 08:52

Time to say goodbye
02 juni 2015 08:07

Stormnacht 9/10 januari 2015
11 januari 2015 13:51




Fotoboeken


Huis van Mugabe (13)
_
Oldtimer auto's (63)
_

Bali (228)
_
Mijn vaders Indisch fotoboek (80)
_

Diva het Yorkshire teefje en haar boerenfok-puppy&#8 217;s (44)
_
Kevin schaatsen (13)
_



Weblog Vrienden


Ben en alie mulder
Van: benenalie

Bennekesblogje
Van: Benneke

Blauwe vlinder
Van: Chrisje

Dimphena
Van: dimphena

Hera
Van: hera

Kiekie
Van: Kiekie

Lagazette le rat
Van: paulmazeres

Lienepien
Van: pienvangmail.com

Mamsies weblog
Van: mamsie

Mireilles plekje
Van: MireilleAngeline

Mijmeringen
Van: Ofsen

Redsblog
Van: redone

Sterretje
Van: Scooterlady

Sylvias weblog
Van: sylla

Webje van fey
Van: fey




Gastenboek berichten

Berndt
08 mei 2014 10:30
_
Aan nonni Verbrugge Waar wil jij je aanmelden? Bij een club? Zo ja welke? Ben je een 50+ lid? Ik kon je niet vinden onder je naam. De koolmezen zullen als ze al broeden of het broedsel voeren bijna zeker zich niet laten verstoren door lawaai. Ze zullen wel even op een afstand blijven kijken maar laten doorgaans hun gemaakte nest of broedsel niet in de steek. Zorg er voor dat het lawaai niet erg lang duurt, zodat ze tijd krijgen om naar hun nest terug te keren. Misschien is het mogelijk om af en toe een pauze in het lawaai maken in te lassen.

Nonni Verbrugge
07 mei 2014 19:22
_
Ik wil me aanmelden maar gaat helemaal niet. Omdat ik graag van iemand wil weten of de koolmezen,die in mijn nestkastje broeden/ze al voeren,verjaagd worden door lawaai(tractor) in de tuin? En komen de ouders gewoon weer terug op het nast als het rustiger is?Laat even weten"Hoe aanmelden".Gr.Nonni

Novo Indarto
19 december 2013 02:26
_
Try this: Facebook: Kota Toea Magelang Blog: kotatoeamagelang.wordpress.com




Watskeburt Op 50plusser.nl

Door NicolaasP om 15:02
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door mellina om 15:01
_
Mellina Online

Door NicolaasP om 14:58
_
NicolaasP Online

Door jeanneke1 om 14:58
_
Nieuwe Foto van de dag geplaatst

Door janny1947 om 14:57
_
Janny1947 Online

Door jeanneke1 om 14:55
_
Jeanneke1 Online

Door greet8042 om 14:55
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door easten1943 om 14:54
_
Easten1943 Online





_

Andere artikelen



Mijn levensgeschiedenis deel 1


Mijn moeder vlak na WO2 (foto gemaakt in de studio van de fotozaak van mijn oom)

Deel 1


Ik ben geboren in de plaats Tasikmalaja op het eiland Java in het begin van 1942, vlak na de laffe aanval van de Japanners op Pearl Harbour.

Mijn vader, was toen op Java in de plaats Tasikmalaja schoolhoofd en het was de bedoeling dat hij die baan zou houden tot augustus 1942 want hij was al benoemd tot inspekteur voor het onderwijs vanaf die datum. Door het uitbreken van de oorlog is het daar nooit van gekomen.

Mijn geboorte geschiedde in een ziekenhuis in Tasikmalaja, maar mijn vader was niet aanwezig bij mijn geboorte want vlak vóór het moment van mijn geboorte was hij al opgeroepen om zijn militaire dienstplicht te vervullen, de oorlog in Indië was weliswaar nog niet uitgebroken, maar hij was -hoogstwaarschijnlijk voor oefeningen- opgeroepen omdat de Nederlandse overheid een eventuele aanval van Japan op Java en/of andere eilanden van de Nederlands-Indonesische archipel niet kon uitsluiten.

Mijn vader was daarom al op 6 Januari 1942 in militaire dienst opgeroepen. Hij moest ’s-avonds vertrekken en de volgende ochtend met een groep anderen met de trein naar Garoet vertrekken. Maar op dezelfde ochtend, 7 Januari dus, werd ik geboren en de Chineese arts die bij de bevalling had geholpen belde toen op naar het station waar de groep klaarstond om te vertrekken om te zeggen dat het kind van B.W.A. Pijnenburg geboren was en of mijn vader nog even terug mocht komen om zijn tweede kind te zien. Daarvoor werd toestemming verleend, zodat mijn vader mij toen dus de dag na mijn geboorte heeft gezien.

Nadien hebben wij mijn vader nooit meer gezien. Nadat Japan Java aanviel en de Nederlanders al gauw overmeesterde werd mijn vader krijgsgevangen gemaakt en enkele maanden later per schip naar het eiland Flores getransporteerd om daar samen met andere krijgsgevangenen te werk te worden gesteld om daar een vliegveld aan te leggen. Hij overleed daar op 4 augustus 1943 aan de gevolgen van de veel te zware arbeid en slechte voeding en het door de Japanners niet verstrekken van geneesmiddelen alsmede ten gevolge van de algehele slechte behandeling, waardoor hij aan buikziekte ging lijden, welke ziekte hem uiteindelijk fataal werd.

*Voor een verslag van deze hele gebeurtenis vanaf het vertrek naar Garoet t/m zijn overlijden verwijs ik graag naar de link.

http://berndts-weblog.50plusser.nl/?page=article&warticle_id=95961&mijn-vader-gedenken



Mijn moeder ging na vertrek uit het ziekenhuis met mijn zuster van drie-en-een-half jaar oud en ik aanvankelijk weer in het woonhuis in Tasikmalaja wonen. Met de hulp van de bedienden redde zij het zonder haar man wel.

Maar toen de oorlog met Japan een feit was en hij in militaire dienst was opgeroepen kwam een onderwijzeres van de school zijn functie van schoolhoofd waarnemen.

Zij was getrouwd met een Roemeense man en omdat niemand hem een plezierig mens vond wilde niemand met haar en haar man te maken hebben.

Tijdens een bezoek aan mijn moeder vertelde zij dat ze van hem wilde scheiden. Mijn moeder heeft haar toen geholpen en ook financiële steun verleend.

Kort daarna kreeg mijn moeder van die onderwijzeres een brief, die zij door een oude dame die naast haar woonde -en die mijn moeder en de onderwijzeres beiden kenden- liet brengen. In die brief schreef zij aan mijn moeder dat haar man, de Roemeen dus, de Japanners overal mee aan het helpen was en omdat de Japanners mooie vrouwen wilden hebben om als prostituee te gebruiken, had die Roemeen gezegd dat zij op het adres van ons en op het naastgelegen adres nog twee mooie vrouwen konden gaan halen! (de buurvrouw van mijn moeder was ook een aantrekkelijke jonge vrouw). Ze schreef dus: “waarschuw ook je buurvrouw en vernietig dan deze brief”.

Omdat mijn moeder op 18-jarige leeftijd trouwde was ze in 1942 een zeer aantrekkelijke jonge vrouw.(geboren 1919, dus 23 jaar oud toen) Om die reden hebben de Japanners het oog op haar laten vallen om haar als “troostmeisje” te gaan gebruiken.

Mijn moeder heeft meteen haar spullen gepakt en is met mijn zuster en mij naar Bandoeng gevlucht. Daar woonde mijn vader voordat hij mijn moeder trouwde en daar waren kennissen die haar konden opvangen. Mijn moeder en mijn zuster en ik hebben toen bij de neef van Pa v.d. Steur gewoond totdat we werden opgeroepen om naar het Jappenkamp (Karees in Bandoeng) te moeten gaan. Het officiële papier van deze oproep is in mijn bezit.

Dat is ook de reden waarom wij eerst in Karees zijn geinterneerd en pas later naar Banju biru (Ambarawa) zijn verplaatst; we woonden immers in Tasikmalaja en vlak daarbij is het Jappenkamp Banju Biru.

Over dat verplaatsen (naar Ambarawa - Banju Biru of naar andere plaatsen want ik kan uit het verhaal van mijn moeder niet opmaken waar naartoe of wanneer deze gebeurtenis plaatsvond) kan ik het volgende vertellen: dat ging per trein en wel in wagons die normaliter waren bestemd voor goederen of vee. Ouderen die deze oorlogstijd hebben meegemaakt hoef ik niet te vertellen hoe dat ging, maar anderen weten niet dat de Jappen al gauw ongeduldig werden en dan werd er op los geslagen. Zo ook dit keer! De mensen werden als het ware de trein in geslagen, een betere omschrijving is er niet voor. In dat tumult raakte mijn moeder mij kwijt, zodat ik moederziel alleen op het perron overbleef. Gelukkig zag mijn moeder mij op tijd daar huilend lopen en zij haastte zich de trein weer uit, tot groot ongenoegen van de Jap die meteen begon te meppen, maar mijn moeder zette door en wees de Jap op mij en kreeg zodoende de kans om mij te pakken en ging weer met mij samen net op tijd de trein in. Ik was erg ziek op dat moment en had hoge koorts. Mijn moeder was zo verstandig geweest om een fles met water mee te nemen en een bekertje, maar we stonden in die overvolle trein en het laatste bekertje werd omgestoten door de naast haar staande mensen, waardoor we alras geen drinkwater meer over hadden, wat natuurlijk vooral voor iemand met hoge koorts niet best was! Ik was min of meer buiten westen in die trein en ijlde, waarbij ik een steeds herhalende toon ten gehore bracht, tot ergernis van sommigen in die trein, die vonden dat “dit Jodenjong” zijn kop moest houden. Je leert je medemensen soms wel kennen…….(in de latere jaren in vredestijd heb ik nooit meer in volle en al helemaal niet meer in overvolle openbare vervoermiddelen kunnen zijn zonder buiten westen te raken!)

In de Jappenkamptijd was ik vaak ziek en aan het einde van die tijd waren wij allen erg ondervoed en vooral mijn zuster was er erg aan toe.

Het zal de lezer niet verbazen dat ik de tot hier neergeschreven informatie niet uit eigen herinneringen heb, doch dat ik dit alles later van mijn moeder heb vernomen; ik was immers nog maar net geboren en aan het einde van de kamptijd net nog geen vier jaar oud.

Mijn eerste herinneringen stammen uit de tijd van kort nadat Hiroshima en Nagasaki waren gebombardeerd.

Na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki en de capitulatie van Japan moesten wij nog in het jappenkamp blijven omdat wij nu bedreigd werden door het extremistisch denkende deel van de Indische bevolking. De geallieerden namen daarom de bevelvoering over van de Jappen en wij kwamen onder het gezag van de Engelsen, welke op hun beurt onder meer soldaten hadden, afkomstig uit India.
Nu de Jappen het veld hadden moeten ruimen kwam er niet alleen beter en voldoende eten, in het kamp, maar werden ons geen belemmeringen meer in de weg gelegd of in elk geval kregen wij alle vrijheid die in deze nieuwe situatie mogelijk was.
Mijn moeder hoefde nu dus ook niet meer zo heel erg goed op ons kinderen te passen, zoals tijdens de Japanse tijd wel continue nodig was.
Dat had tot gevolg, dat ik van die nieuw verworven vrijheid gebruik maakte en op een gegeven moment verdwenen was; ik was niet meer te vinden. In eerste instantie leek dat niet zo erg, want het hele kamp was afgeschermd, dus ik moest in het kamp toch te vinden zijn.
Dus het hele kamp werd doorzocht, maar ik was nergens meer te vinden!!!
Na lange tijd zoeken door mijn moeder en zoveel mogelijk anderen die bereid waren mee te zoeken zat er niets anders op dan bij de Engelse bevelvoering melding te maken van mijn vermissing. Aangekomen bij het kantoortje van die heren legde mijn moeder daar het probleem voor. Er werd goed geluisterd, waarop één van de heren mijn moeder wenkte om met hem mee te lopen. Hij liep met haar naar de in/uitgang van het kamp.
Daar zat -net buiten het kamp- een militair op een stoel. Vóór hem stond een mitrailleur op een driepootstandaard en op zijn knie.........ZAT IK!!!

Wat bleek:
Ik was al eerder bij die in/uitgang geweest zei men daar. Daar had diezelfde militair mij steeds opgevangen toen ik de uitgang uitwandelde. De militair was een man afkomstig uit India. Toen hij dat magere scharminkel van drie turven hoog de uitgang uit zag lopen had hij -om te voorkomen dat ik zoek zou raken buiten het kamp- mij meteen beetgepakt, op zijn knie gezet en omdat hij vond dat ik er erg hongerig uitzag had hij mij een boterham met pindakaas gevoerd.

Dit is mijn eerste levensherinnering die ik heb; ik was toen tussen drie en vier jaar oud:


Deze man schoot elke keer als hij verderweg verdachte bewegingen in het struikgewas zag (in de onmiddelijke omgeving was geen begroeiing) van de ene kant naar de andere zijn mitrailleur af. Dit moet ik dus van heel erg nabij hebben meegemaakt, want ik zat immers op zijn bovenbeen of knie. Ik kan mij dat nog heel goed herinneren; dat beeld van die mitrailleur die op een driepoot vóór mij stond terwijl ik op de knie van die man zat en de mitrailleur ratelend en met veel herrie kogels afvuurde en de kogelband van de ene naar de andere kant door dat wapen schoof!
Hij had mij later steeds weer het kamp ingezet en mij duidelijk gemaakt dat ik weer naar mijn moeder terug moest gaan, maar boterhammen met pindakaas had ik toen nog nooit eerder geproefd en vond ik natuurlijk overheerlijk, reden waarom ik steeds terug ging naar die in/uitgang, dus ook deze keer!!!

Na de capitulatie van Japan hebben wij (mijn moeder, mijn zuster en ik) nog zo’n twee maanden in Banjoe Biroe (kamp 10) gezeten, waar wij ook vóór de capitulatie waren ondergebracht.

Doordat mijn zuster ernstig en besmettelijk ziek was, werden wij daarna naar een ziekenhuis in Magelang overgebracht. Daar werden wij ondergebracht in een kamertje buiten het ziekenhuis, waarschijnlijk een personeelskamer. Omdat het ziekenhuis werd bedreigd door extremisten en er vrijwel geen mogelijkheden waren voor verzorging van mijn zuster, moest mijn moeder haar verzorgen. Vanwege de voortdurende beschietingen rondom het ziekenhuis kwam er voor ons in het buitenliggende kamertje geen verzorging en moest mijn moeder voedsel, medicijnen en dergelijke zelf halen in het ziekenhuis en ook buiten, in het bedreigde gebied, zorgen voor wassen van kledingstukken, wat zij ook nog voor een ander gezin deed, die in dezelfde omstandigheden verkeerden, omdat niemand van dat gezin naar buiten durfde.

Mijn moeder heeft daar geen letsel opgelopen, wel een man die een keer vóór haar liep –misschien een arts of ziekenhulp- welke een schotwond in zijn been kreeg.

Na deze periode zijn wij met een grote vrachtwagen vervoerd naar Semarang en kregen wij ook allen een matras, zodat wij weer enigszins beter de nachten konden doorbrengen. Omdat wij met de dood bedreigd werden, week de vrachtwagen uit naar allerlei plaatsen, waar wij soms urenlang stilstonden.

Uiteindelijk slaagde het transport naar Semarang niet en werden wij tegen de avond ondergebracht in Ambarawa in een gebouw wat op een klooster of een schoolgebouw leek, waar het zó vol zat met vluchtelingen, mannen, vrouwen, kinderen, dat wij de nacht moesten doorbrengen in een brede gang, tezamen opgepropt tussen massa’s vluchtelingen. Er werd ons meegedeeld dat wij om 4 uur in de nacht weer klaar moesten staan voor vertrek.

Omdat ik geen ander kledingstuk meer had dan het totaal versleten broekje wat ik aan had, maakten vier nonnen die daar waren die avond nog wat kleding voor mij. Deze nonnen -en ook wij- konden toen nog niet bevroeden, dat dit de laatste goede daad zou zijn die zij nog konden doen.

Om 4 uur werden wij weer op transport gesteld naar Semarang en dat duurde –ofschoon we al vlak bij waren- wegens de bedreigingen die we moesten trachten te ontwijken, tot tegen 18 uur.

In Semarang aangekomen werden wij ondergebracht in een leeggemaakte woonwijk aan de stadsrand.

We kregen meteen na aankomst te horen, dat alle mensen in het gebouw van waaruit wij vertrokken waren die ochtend om 6 uur in de ochtend vermoord waren !

In het huisje in Semarang waar wij samen met andere gezinnen werden ondergebracht zijn we ook een keer aan de dood ontsnapt. De wijk was ontruimd van de daar wonende Indonesiërs en die wijk werd daarna vanuit vliegtuigen nog beschoten, denkelijk om eventuele extremisten nog te verjagen. De kogels kwamen toen terecht op- en om het huisje waarin wij waren ondergebracht. Mijn moeder heeft toen ons kinderen snel in de kamer bij de muur neergelegd en matrassen over ons heen gedaan. Ze bleef zelf onbeschut, maar we zijn allen ongedeerd gebleven en zij kon na afloop massa’s kogels in de tuin rondom het huisje vinden. Wij kinderen waren toch al steeds paniekerig en verkeerden nu in nog veel grotere angsten!!

Na enige tijd werden wij overgebracht naar de haven van Semarang, waar wij vrij lang werden geplaatst in een grote ruimte, die in normale tijden kennelijk beschikbaar was voor het plaatsen van goederen voor scheepstransporten, een soort loods. Matrassen op de vloer en dat was alles. Wij kregen blikjes voedsel, wat voor ons toen heerlijk was. Er was geen toilet en voor de vele vluchtelingen slechts drie wastafeltjes in die ruimte, waar men zich om beurten –in het openbaar- kon wassen.

Onze behoefte moesten wij –eveneens in het openbaar- in zee doen.

Daartoe lag bij de kade en boven de zee een soort rek van buizen, doch zodanig wijd verspreid, dat wij, als wij over die buizen liepen, zeer voorzichtig moesten zijn om er niet tussendoor in zee te vallen. Het kostte mijn moeder veel moeite en leverde veel angsten bij haar en haar kinderen op en ook alle anderen waren doodsbang om in zee te vallen. Er was helaas geen andere mogelijkheid. Daarbij kwam nog, dat je behoefte te doen, waar iedereen bij stond of liep in die haven, ook onaangenaam was, waardoor je niet graag er naar toe ging en dus te weinig, als gevolg waarvan men al gauw aan constipatie ging lijden.

Na verloop van tijd werden wij per schip naar Batavia gebracht en vandaar vervoerd naar het kamp Tjideng, waarin wij tijdelijk werden ondergebracht.

Enkele weken later werden wij verscheept naar Singapore en na twee overnachtingen op het dek of in de benedenruimte van de boot, kwamen wij aan in Singapore, vanwaar wij naar een dorp buiten de stad werden gebracht en nog ongeveer drie maanden verbleven in een soort kazerne.

In maart 1946 werden mijn moeder, mijn zuster en ik als eersten naar Nederland gerepatrieerd.

(de zieken, wezen en halfwezen met de overgebleven ouder zijn het eerst aan de beurt geweest om naar Nederland terug te kunnen gaan. Mijn zuster was erg ziek door ernstige ondervoeding, waardoor zij direct met het hospitaalschip “de Oranje” is teruggevaren, terwijl mijn moeder en ik korte tijd later met de “Nieuw Amsterdam” naar Nederland teruggevaren zijn).

Op het schip,de “Nieuw Amsterdam” volgt mijn tweede herinnering:

Mijn zusje is al eerder met het hospitaalschip de “Oranje” op weg naar Nederland gegaan, zoals al eerder hier vermeld. Blijkbaar heb ik aan mijn moeders hoofd gezeurd omdat ik niet begreep waarom mijn zusje er niet was. Toen we dus een keer binnen in het schip waren en er in de verte een ander schip zichtbaar was wat in dezelfde richting stoomde tilde mijn moeder mij op om mij voor zo’n rond raampje te tillen. Het beeld wat ik toen zag staat mij nog levendig voor de geest.
Dat ronde raampje, al dat water en in de verte dat schip!

Mijn moeder zei toen tegen mij dat mijn zusje op dat schip was....


Wij (mijn moeder en ik) kwamen in Nederland aan op 10 april 1946 en zijn toen de daaraanvolgende 1½ jaar samen met mijn zusje die daar toen al enige tijd was; ze was immers reeds eerder met het hospitaalschip de “Oranje” vervoerd, opgevangen geweest door de zuster van mijn moeder, die samen met haar man ons toen tijdelijk onderdak heeft verleend in hun woning in Den Helder.

Mijn derde herinnering stamt uit deze tijd:


Op de eerste school, de kleuterschool in Den Helder, "verdween" ik steeds. Mijn moeder bracht me naar de ervóór liggende speelplaats en zodra zij uit het zicht verdwenen was, ging ik op eigen houtje in Den Helder op zoek naar in mijn ogen leukere speelgelegenheden. Zo zwierf ik langs de kust, waar nog vele uit de tweede wereldoorlog overgebleven bunkers waren. Die bunkers waren weliswaar leeg, maar daarin hing een vreemde "muffe" lucht en dat prikkelde blijkbaar mijn fantasie. Ook was ik vaak bij de haven te vinden, waar toendertijd nog vele oorlogsschepen lagen, of speelde ik in de ruïnes van het op bevel van de Duitse oorlogscommandanten platgegooide stadsdeel van Den Helder, wat direct achter de kust lag. Vaak had ik gezelschap van een jongetje die op dezelfde kleuterschool zat. Samen trokken we dan erop uit.
Er was altijd wel wat te doen wat leuker was dan in de kleuterschool met al die drukke kinderen om je heen!

(Hier begint dus mijn eerste “trauma” wat ik van de tijd uit de Jappenkampen overhield, waar veel te veel mensen veel te dicht op elkaar moesten leven met allemaal herrie om je heen en heel benauwd, mede door de hitte aldaar. Daar heb ik mijn hele leven last van gehouden, vooral in de eerste tientallen jaren van mijn leven. Soms raakte ik zelfs even buiten bewustzijn in zulke omstandigheden).

Zelfs op het sinterklaasfeest was ik niet in de kleuterschool, maar de hort op!!! De pepernoten konden ze me gestolen krijgen.............!!! en zulke donkere, boze, griezelige kerels had ik in mijn nog jonge leven al te veel en te vaak gezien!!!

Ook kan ik mij het huis van mijn oom en tante nog goed herinneren.

Omdat ik zo ondervoed was werd ik de eerste de beste winter ernstig ziek. Verkouden, bronchitis, zo erg dat ik ervan een longontsteking opliep. Ik lag op de onverwarmde zolderkamer met dikke prachtige ijsbloemen op de ruiten tegenover mijn bed. Ik lag te ijlen en had hoge koorts!

Toen ik weer aan het beteren was kwam een oom op ziekenbezoek bij mij. Hij had een grote puntzak Engels drop voor mij meegebracht. Nou, je begrijpt, in die tijd kreeg ik nooit snoep, dus de zak was in een mum van tijd leeg. Nooit zal ik vergeten hoe spuugziek ik toen daarvan ben geworden!!! In mijn latere leven hoef ik slechts de lucht van Engels drop op te snuiven om meteen misselijk te worden. Ook bij het zien ervan!

Ik herinner mij dat mijn tante rare gewoontes had, met een ongezonde belangstelling voor mijn piemel, zodat ik altijd probeerde haar te ontwijken als ik naakt uit het bad kwam, omdat zij anders mijn piemel probeerde aan te raken; iets wat ik zeer onprettig vond! Aan mijn oom heb ik betere herinneringen; deze man heb ik altijd ervaren als lief en zachtmoedig voor kinderen; hij heeft mijn zuster en mij vaak mee uit wandelen genomen naar het bosrijke gebied met de naam Huisduinen, alwaar wij in een cafe-restaurant op het terras dan limonade uit een glas met een rietje dronken. Ik bezit nog een foto daarvan.

In die tijd in Den Helder herinner ik mij ook nog de geboorte van mijn halfzusje Alexandra.

Na de tijd in Den Helder heeft mijn moeder mijn halfzusje bij mijn oom en tante gelaten en is mijn moeder bij haar ouders in Den Haag in gaan wonen; haar ouders woonden in een huurwoning in het Statenkwartier. Het was een klein soort “Herenhuis” met aan de achterzijde een uitbouw waarin extra slaapkamers waren, dus zij hadden ruimte genoeg om mijn moeder te huisvesten.

Omdat mijn moeder geen bezittingen en geen geld meer had nadat we uit Indië waren vertrokken en omdat zij van de Nederlandse overheid ook een veel te laag pensioenbedrag kreeg uitgekeerd, moest zij een werkkring zoeken om in ons onderhoud te voorzien.

Voor mij en mijn zuster vond zij het beter om ons onder te brengen bij een boerengezin. Zijzelf zou dan kunnen werken in een “full-time job” en wij zouden het bij zo’n boerengezin beter hebben dan bij haar ouders. Wij waren immers ernstig ondervoed geweest en al had de tijd in Den Helder ons wel al wat “vlees op de botten” gegeven, er kon nog best wat aan verbeterd worden!

Dit nu opschrijvend realiseer ik mij dat ik mijn moeder erg dankbaar ben dat zij deze beslissing heeft genomen. De tijd die nu volgde is een van de beste die ik mij kan herinneren!

Vanaf dit punt is alles wat ik schrijf uit mijn eigen herinneringen.

Na wat andere adressen te hebben nagelopen, vond mijn moeder onderdak voor ons bij een boerengezin in Benschop. Ik herinner mij nog, dat ik bij het eerste bezoek met stoel en al achterover van het wat hoger gelegen terras afkukelde omdat ik mijn stoel te ver achteruit schoof. Als gevolg waarvan ik het op een huilen zette en de boerin mij troosste.

Dit echtpaar bood hulp aan meerdere kinderen waarvan het al of niet gebroken gezin hulp behoefde of waarvan de ouders beiden overleden waren. Dat gezin bestond uit een echtpaar met een tienerzoon, Adrie genaamd, een plusminus twee jaar oud geestelijk onvolwaardig dochtertje, de oude moeder van de boerin, een uit de ouderlijke macht onttrokken meisje van mijn leeftijd, genaamd Elsje, en nog twee tienermeisjes, Stefie en Dinie genaamd, die grotendeels samen met de boerin het huishouden bestierden. Daarbij kwamen nu mijn zusje en ik.

Na de doorgebrachte kamptijd als baby en kleuter is dit de mooiste tijd van mijn leven geweest!!!

Buiten dat de boerenvrouw een fantastisch warm en lief mens was, -waarvan ik in mijn latere leven weinig vergelijkbare meer meemaakte-, was deze omgeving voor mij een eldorado vergeleken met de meegemaakte ellende in de eerste jaren van mijn leven. In dit “gemengd bedrijf” zoals die boerderijen toen werden genoemd waren varkens(twee of drie), koeien (een dozijn), geiten(een stuk of vier), heel veel kippen (honderden) in twee grote kippenschuren waar zij vrij in- en uit konden rennen, grote boomgaarden die ook als uitrenplaats voor de kippen dienden, maar waar appelbomen en perenbomen jaarlijks voor veel fruit zorgden. Er was ook een moestuin, kersenbomen en heel veel grasland erachter waar zomers de koeien graasden.

De speelmogelijkheden waren voor een jongetje zoals ik toen was waren legio; voor mij was dit een eldorado!!! Zomers zwommen we in een brede sloot die ongeveer halverwege de graslanden was, ver van de boerderij. We kleden ons gewoon uit en sprongen er in. Voordat we weer naar huis gingen trokken we eerst de bloedzuigers van ons lijf en kleedden ons dan weer aan, want we waren toch al weer droog genoeg nadat we ons even in de zon lieten opdrogen.

Later maakte de boer nog een schommel voor ons kinderen achter het huis en ook nog een wip en van een groot oud wagenwiel een draaimolen, wat onze speelmogelijkheden nog verder vergrootte. Het meisje Elsje vond daar een schroevendraaier en gooide die naar mij toe. De punt van de schroevendraaier kwam in de hoek van mijn oog, precies naast de oogbol. Het heeft dus maar een haartje gescheeld of ik had aan een oog blind kunnen zijn geworden!

Hier in dit dorp ging ik ook naar de eerste en tweede klas van de lagere school in het enige schoollokaaltje wat het dorpje rijk was en waarin alle klassen in hetzelfde lokaal waren ondergebracht. Ook mijn drie jaar oudere zusje zat dus in hetzelfde lokaal als ik, maar in een andere rij die haar klas vormde. In het midden van de klas stond een grote potkachel; de kachelpijp ging recht omhoog door het dak.
Wij pasten helemaal niet in die boerengemeenschap en omdat kinderen aanvoelen, dat je anders bent dan zijzelf, proberen ze je te pesten of angst aan te jagen. Bij mij, vrijbuiter die ik was, had dat geen- of weinig effect; alleen als het duidelijk oudere/grotere jongens waren dan ikzelf, was ik wel eens een beetje bang. Ik herinner mij ook nog mijn kwajongensstreek om in een onbewaakt moment wormen in de griffeldoos van mijn zuster te stoppen, puur voor het effect wat zou ontstaan bij het openen. Succes bij voorbaat gegarandeerd!

De boerderij bestond uit een woonhuis met aan de voorzijde(wegzijde) een wat hoger gelegen kamer waar haar oude moeder altijd vertoefde en waar zij later overleed. Op zolder sliepen de kinderen. Aan de ene zijde op de begane grond was een grote serre-uitbouw, aangebouwd aan de keuken zodat één geheel ontstond. Daarin stond een lange eettafel met banken en stoelen en daar gebruikten wij alle maaltijden. Verder herinner ik mij nog dat aan de achterzijde van het huis een apart losstaand houten toilethuisje was, het interieur bestond uit een plank met een rond gat erin en een rond deksel erop. In de toegangsdeur een uitgezaagd hartvormige opening. Dat vierkante wc-huisje stond dus boven op de septic tank. Als je in het gat keek zag je de oppervlakte van de inhoud van die septic tank. In de winter moest je dus ook buiten in dat huisje jouw behoeften doen, dus in de kou. Omdat het meisje Elsje zo bang was in het donker moest ik samen met haar daar naar toe voordat we slapen gingen. Mannen mogen niet bang zijn, dus daarom werd ik met die plicht opogezadeld. Ik wachtte dan in de winterkou geduldig tot zij klaar was om zelf daarna naar de wc te kunnen. Terwijl ik wachtte keek ik dan naar de lichtjes van een dorp in de verte al bibberend van de kou. Maar omdat de boer en de boerin in het volgend jaar het huis inwendig lieten verbouwen kwam er een moderne badkamer met wc en hoefden wij niet meer buiten naar de wc. Ook herinner ik mij nog van die tijd dat er op zolder een wastafel was waaraan wij ons wasten en de tanden poetsten met gewone “Sunlicht” zeep!

Daarna -ongeveer twee jaar later- kreeg mijn moeder een flatwoning in Den Haag toegewezen, aan de rand van de stad dicht bij Loosduinen (nu staat het ziekenhuis “Leijenburg” daar tegenover, maar toen was het grasland met koeien en soms een paar varkens) en eindigde de tijd in Benschop om plaats te maken voor een nieuw bestaan in Den Haag, weer verenigd met mijn moeder.

Omdat daar in de omgeving toen nog vele flatgebouwen moesten worden gebouwd, waren daar voor een jongen als ik die erg in techniek is geïnteresseerd en die een creatieve geest heeft ongelooflijk veel speelmogelijkheden. Grote delen terrein moesten nog bouwrijp worden gemaakt en van stukken bouwhout bouwden we vlotten om op de opgespoten terreindelen te varen. Ook ander aanwezig bouwmateriaal zoals bijvoorbeeld grote betonnen rioolbuizen e.d. boden geweldige speelmogelijkheden, zo ook de deels gebouwde geraamtes of casco's van de flats. Mijn vriendjes en ik hebben daar echt levensgevaarlijke capriolen uitgehaald!!!

Onze moeder stuurde ons (mijn zuster en ikzelf) naar een deftige lagere school, die bijna midden in de stad was. De “Haagsche schoolvereniging”. Mijn moeder zocht altijd naar het beste.
We reisden dus elke dag met bus en tram daar naar toe en terug naar huis. Het was best een flinke afstand, meer dan dertig bus-/tramhaltes.
Die bussen en trams waren in die jaren zó overvol, dat de mensen op de treeplanken van de tram moesten gaan staan om zo -hangend aan de tram- toch nog mee te kunnen.
Ik raakte -opgepropt tussen al die mensen in de tram of bus- vaak buiten westen en ook bij de maandagochtendtoespraak die door het hoofd der school in de grote hal van de school gehouden werd viel ik vaak flauw tussen alle kinderen.
Ik schaamde mij daarvoor en vertelde het niet aan mijn moeder. Toen mijn moeder dat ten langen leste ter ore kwam, begreep zij dat dit niet goed voor mij was en haalde mij daar van school. Niemand –ook mijn moeder niet- had in die tijd door, dat dit probleem mogelijk veroorzaakt zou kunnen worden door wat in het verleden was voorgevallen; men dacht toen dat zulke jonge kinderen geen trauma’s konden opgelopen hebben van de Jappenkamptijd!!

Ik ging voortaan dicht bij huis naar school; het was een hervormde lagere school, om de hoek van de straat waar ik woonde en ik kon ernaartoe lopen. Op die school heb ik de laatste twee lagere schooljaren gezeten, waarna ik naar de mulo ging, welke in een gebouw er vlak naast was.

Ik heb over de schooltijd van de “Haagsche schoolvereniging” nog deze herinneringen:

Het was een school waar vooral de “Upper ten” van de Haagse gemeenschap op school werd gedaan. Kinderen van welgestelde ouders, artsen, chirurgen, corps diplomatiek, antiquairs en dergelijke. Met drie jongens speelde ik vaak bij hun thuis. De een, Lex heette hij, was zoon van een antiquair en woonde in een groot huis in het Noordeinde in Den Haag. Daar waren veel speelmogelijkheden zowel in het huis wat een heel erg lange gang had in de uitbouw van het huis aan de tuinzijde. Het huis grensde met de achtertuin aan de Koninklijke stallen. Hij had ook veel speelgoed en ik had bijna niks, dus daarvan maakte ik graag veel gebruik, maar we gingen met zijn vader en zijn moeder ook wel eens in hun auto naar hun familie of naar andere plaatsen. Ik herinner mij ook nog, dat op een zo’n rit de benzinetank lek sloeg en Lex van zijn moeder standjes kreeg omdat zij dacht dat hij een wind had gelaten. Het was op een zondag, dus reparatie in een autobedrijf was niet mogelijk. Personeel van een servicestation/benzinestation dichtte het gat provisorisch met groene zeep!

Ook speelden we daar vaak in de tuin en je kon via de brandgang achter in de tuin zo naar het paleis lopen. De brandgang eindigde namelijk vlak voor het paleis. Je sloeg dan linksaf en kwam dan in het Noordeinde terecht vlak bij het paleis.

Ik had van die schooltijd nog een vriend. Zijn vader was chirurg met specialiteit vrouwenziekten en hij had ook een praktijk aan huis. Een groot huis met een grote tuin in een deftige straat, de Surinamestraat in Den Haag. Als je de voordeur binnen was zag je een grote en brede hal met een brede grijsmarmeren trap . Die trap bracht je ongeveer anderhalve meter hoger naar het huis en praktijkruimte. Eronder was het souterrain met de tuinkamer. Vaak viel ik daar bijna flauw van de etherlucht die er in die hal altijd hing!

Met deze jongen, met de naam Maarten ben ik ook vaak overal naar toe gegaan, naar de speeltuin in het dierenpark in Wassenaar, maar we speelden ook heel vaak bij hem thuis in de tuinkamer wat zijn speeldomein was of in de tuin daarachter. Deze jongen bezat wel meer dan honderd “Dinky-toys” en dat was natuurlijk een kolfje naar mijn hand. Met hem heb ik steeds contact gehouden, ook toen ik al lang naar de andere school was vlak bij mijn huis. Ik fietste dan helemaal naar zijn huis om daar te spelen met zijn dinky toys en het andere speelgoed wat hij had. Later bouwde ik eens in de kelder van de flat van mijn moeder een soort van ” Madurodam”, kompleet met straten, huizen, gebouwen en alles van bordpapier, luciferhoutjes, bouwdozen van gebouwen die je gratis bij de kruidenier kreeg bij aankoop van iets en nog veel meer. Het geheel stond op lege fruitdozen, waarover grote houten platen met daarop de opbouw van de stad. Toen mijn vriend Maarten dat zag bracht hij al zijn dinky toys naar mijn huis om samen met mij in dat Madurodam met al die autotjes in dat Madurodam van mij te spelen. In de familie van deze jongen was ook de toenmalige gezagvoerder van het Nederlandse oorlogsschip “De Zeven Provinciën”. Ik kan mij ook nog goed herinneren dat wij met zijn ouders daar een keer als “gast van de commandant” op dat oorlogsschip wat toen in Den Helder in de haven lag zijn ontvangen met alle egards die bij zo’n bezoek horen. Alle Jantjes stonden netjes in de houding toen wij via de loopplank het schip opkwamen en we kregen een rondleiding door het hele schip met uitleg over van alles. Ook hebben we daar samen met de gezagvoerder “aangezeten aan de dis” en heel lekker gegeten!!! (zie foto)

Met weer een ander vriendje -wiens vader beheerder van een flatgebouw met restaurant was- speelde ik samen met hem met zijn elektrische trein. Ook maakten we het flatgebouw daar onveilig door steeds met de liften op en neer te liften. Kortom: ik bezat zelf praktisch geen speelgoed, maar kon spelen met al dat mooie speelgoed wat die jongens allemaal hadden.

De resultaten op school in de daaraanvolgende Mulo-tijd waren bedroevend; ik had door de Jappenkamptijd een grote speelachterstand, dus ik wilde spelen, spelen, spelen en nog eens spelen en had dus een broertje dood aan school en leren. Huiswerk maken was iets wat ik per definitie nooit deed. Voor een (proef)werk kreeg ik dan ook altijd onvoldoendes.
Het hoofd der school gaf bijvoorbeeld les in Franse taal. Bij hem kreeg ik altijd "een één voor de moeite", waarbij hij dan ook altijd erbij zei: "lager cijfer dan een één geef ik nooit, maar jouw werk was die één eigenlijk niet waard, vandaar dat je die krijgt voor de moeite die je voor het opschrijven ervan hebt gedaan".
Ik kreeg van hem dan ook al gauw de bijnaam "Lord Wanhoop".
Een huidige vriend van mijn vrouw en ik is zelf schoolmeester (leraar heet dat tegenwoordig) en zei, toen ik hem dit eens vertelde, "lekker opvoedkundig is dat", mooi om zo'n kind een trauma te bezorgen.
Nou, ik heb er dus dáárvan geen trauma van overgehouden en ook geen minderwaardigheidscomplex en alhoewel ik tot dan scholen vreselijk vond heb ik er toch hele leuke herinneringen aan:
Eén van mijn medeleerlingen van de mulo, een pienter meisje, Yvonne genaamd, kreeg ik zelfs zó ver, dat ze haar gemaakte huiswerk voor mij overschreef, en die copie de avond vóórdat het werk de volgende dag moest worden ingeleverd in de brievenbus van ons huis deed, zodat ik het tijdig kon overschrijven en zodoende voor de verandering eens een voldoende kreeg, wat natuurlijk onmiddellijk argwaan wekte bij de betreffende docent, ha ha ha!!!
Dat meisje was eigenlijk mijn eerste "grote" liefde. Zij woonde een flink eind van de school en ik fietste samen met haar en nog enkele andere leerlingen naar haar huis, waarbij we dwars door het "Zuiderpark" reden, dit terwijl ik vlak om de hoek bij de school woonde aan de andere kant van dat “Zuiderpark” en dus weer helemaal alleen terug moest fietsen!!! Maar ik had dat graag voor haar over.
Helaas ben ik haar later uit het oog verloren, maar zij is nooit uit mijn hart of uit mijn gedachten verdwenen en ik denk nog vaak aan de vele fijne momenten die ik in haar bijzijn heb gehad.

Na twee jaren de eerste klas mulo te hebben doorgeworsteld, waren de resultaten nog zo slecht, dat ik van school af moest.
Omdat ik toen veel interesse voor auto's had en duidelijk was dat ik technisch goed uit de verf kwam, ben ik op de IVA (autoschool) in Driebergen terecht gekomen.
Dit is geen school zoals een lagere- of een mulo, maar is een opleidingsinstituut, waar de leraren zich meer als gelijken gedroegen van de leerlingen**. Dat schept een heel andere sfeer.
Er zijn jongens uit heel Nederland te vinden en velen zijn na schooltijd aangewezen op het verblijf en de verzorging van het bij de school horende internaat. Ikzelf ook in het eerste jaar, maar daarna heb ik een kamer gezocht bij particulieren, zoals ook vele andere jongens deden. Het leren daar ging ineens wel goed. Dit instituut leidt jongens op om zich later zowel in technische- als commercieele beroepen goed te kunnen bewegen en dat kan, maar hoeft niet persé in de autobranche te zijn.

Tussen het eerste en het tweede schooljaar reed ik mij in de vakantietijd op mijn bromfiets bijna dood doordat ik een van rechts komende erg snel rijdende bestelauto over het hoofd zag. Ik werd in de flank in volle vaart door de bestelauto aangereden en raakte ernstig gewond. Ik werd terwijl ik buiten westen was in allerijl per ambulance naar het ziekenhuis –de “Ursulakliniek” in Wassenaar- vervoerd, waar men een schedelbasisfractuur, een schedelbreuk, een arm uit de kom, diverse vleeswonden en een zware hersenschudding constateerde. Het leek zó ernstig, dat men mij in een kamertje heeft gelegd waarin een stuk of zeven mensen lagen. Later kwam mij ter ore dat dit het “dodenkamertje” werd genoemd. Alle zeven mensen die er lagen gingen dood in de week dat ik daar lag, behalve ikzelf. Na twee of drie dagen kwam ik tot bewustzijn. Ik zag allemaal tralies om mij heen (ik was in een bed gelegd met hekwerk erom om eruit vallen te voorkomen omdat ik zo onrustig was en bewoog). Toen ik die tralies zag dacht ik: “dat kan niet kloppen, ze hebben een vergissing gemaakt om mij in het gevang te stoppen, want ik ben een eerlijk mens”! Maar gelukkig zag ik dat er recht boven mij veel licht was en dat ik daar kon ontsnappen en ik trok meteen de stoute schoenen aan en klom over het hekwerk heen en liep naar de uitgang die ik alras vond. Ik herinner mij, dat ik in een lange gang liep met heel veel licht en toen ik een paar witte vrouwelijke gedaantes zag aankomen dacht ik dat ik in de hemel was beland en dat dit engelen waren; dat ze geen vleugeltjes hadden bemerkte ik niet meteen. Ik begon echter weer buiten westen te raken en ben ze min of meer “in de armen” gevallen, waarop zij mij weer in dat bed hebben teruggebracht en mij voor alle zekerheid onder een dwanglaken hebben gestopt. In dat ziekenhuis kwam ik na ongeveer een week weer continue bij bewustzijn en werd toen – na het maken van een hersenscan- naar een buitenafdeling gebracht waar ik nog ongeveer zes weken plat op bed heb moeten blijven liggen.

Toen ik weer op eigen benen mocht gaan staan bleek dat ik niet meer goed kon lopen en heb ik dat min of meer weer opnieuw moeten leren!!! In het begin liep ik “zweverig” en had het gevoel dat ik over een opgeblazen luchtbed liep; zo eentje als waarop je in de camping gebruik van maakt.

De pech voor mij was, dat het gebeurde plaatshad precies aan het einde van de vakantie-periode - ---(begin augustus) en het toen een geweldig mooie droge en warme zomer was die tot aan de herfstvakantie voortduurde! Het volgende schooljaar miste ik natuurlijk de eerste maanden als gevolg waarvan ik dat jaar niet met goed resultaat kon afmaken, dus ik heb dat jaar nog een keer moeten overdoen.

In die autoschooltijd had ik twee vrienden die ook in Den Haag woonden. De een, Ad, was een neef van de welbekende autocoureur en autoslipschoolhouder Rob Slotemaker en de ander, Hans, was de aangenomen zoon van een bekende notaris in Den Haag. Vooral met die laatste heb ik gekke avonturen kunnen beleven. Zijn vader en moeder woonden in een groot vrijstaand huis met rondom tuin aan een brede weg achter de Scheveningse strafgevangenis. Tussen het trottoir en de tuin was een hoge heg; zo hoog, dat je de grote Amerikaanse auto van zijn vader vanuit het huis niet geparkeerd kon zien staan. Hans zei dan zijn vader en moeder goedendag, en ging samen met mij via de hal en de voordeur het huis uit om op stap te gaan. Maar in de hal pikte hij de autosleutels van zijn vaders auto uit de jaszak. Vervolgens maakten wij de auto open, wachtten met het sluiten van de deuren en het starten van de motor totdat de autobus langsreed, want de herrie die dat maakt overstemt het deur dichtslaan, starten en wegrijden en reden dan meteen achter de autobus aan weg. (We waren nog geen zeventien jaar en hadden nog geen rijbewijs!!!). We maakten vervolgens heel Scheveningen onveilig, flirtten met alle leuke meisjes als we met open ramen over de Scheveningse boulevard reden, maar ook reden we vaak door Den Haag. Er is nooit wat gebeurd en we zijn ook nooit betrapt, niet door zijn ouders en ook niet door de politie!!!

**Veel is er misgegaan in het contact met “autoriteiten”. Of dat nu onderwijzers zijn of agenten of andere ambtenaren van de overheid of bazen, dat maakt niet uit!

De oorzaak daarvan is terug te voeren naar de Jappenkamptijd, waar ik als klein kind dagelijks werd geconfronteerd met het feit, dat iedereen voor de Jap die je ontmoette of die langskwam moest buigen, terwijl ik natuurlijk ook getuige was van hun wreedheden jegens de gevangenen. Ik heb dan ook nooit goed kunnen werken in dié werkkringen waar ik duidelijk ondergeschikt was aan het “gezag” van een baas. Slechts in die werkkringen waarin ik mijn eigen gang kon gaan zonder mij aan de leiding van bazen te hoeven onderwerpen heb ik goed en vaak zeer goed kunnen werken met goede tot zeer goede resultaten.

In het volgend hoofdstuk beschrijf ik de periode na mijn schooltijd.



Ik in 1946 (foto gemaakt in de studio van de fotozaak van mijn oom)


Mijn zus en ik tijdens een wandeling door het bos in Huisduinen (bij Den Helder)


Ik in 1958, ruim 16 jaar oud


Mijn zus na WO2


De Kruiser




Ik als baby


Artikel links



Geplaatst op 11 januari 2011 11:11 en 3357 keer bekeken



Deel dit artikel via:





_
R
eacties van leden


Je reactie
Naam   Gast
Reactie   
  _
Captcha_Beveiligingsvraag

Welk dier is dit?
_





_
Mariekevannim...  
11 jan 2011 13:14
Het is wel de moeite waard.
Je schrijft een lang en gedetaillerd verhaal over je jeugdjaren. Ik heb het in etappes gelezen, omdat in een keer erg vermoeiend was.
Je hebt een enorme ervaring opgedaan in die jaren.
Met intresse gelezen.
grtjs Marieke

Ofsen  
11 jan 2011 15:11
jeetje Bernd ook toevallig. heb net een artikel geschreven over die oude tijd in indie. wel heel erg lang je verhaal. als je het in stukjes knipt en uitsmeert over enkele artikelen, dan denk ik dat de mensen makkelijker genijgd zijn om het helemaal te lezen. ja na die jappentijd hadden we natuurlijk een grote achterstand en daar kwam nog eens bij dat we naar een heel ander koud land gingen. indie het zal nooit uit onze gedachten zijn. groeten.
_





_
Gooilander  
11 jan 2011 16:23
Met zeer veel belangstelling gelezen. Ik houd van levens-geschiedenissen.
Veel mensen beseffen niet hoe een leven getekend kan worden door omstandigheden. Sommige 65 plussers van nu hebben veel ellende meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog.

vriendelijke groet
Frans

Hera  
14 jan 2011 19:27
Een groot gedeelte heb ik gelezen, en kom later terug voor het volgende stuk hiervan. Heel interessant, om mee te krijgen hoe dit voor jullie geweest moet zijn.
_





_
Sunrise  
28 jan 2011 10:27
Marieke, Ofsen, Gooilander, Hera en Marquerite: Dank voor jullie reacties. Ik heb dit opgeschreven omdat ik ten eerste vind dat deze verhalen nooit vergeten mogen worden en ik deed het nu omdat ik al bijna 70 jaar ben en straks misschien niet meer in staat ben om dit voor het nageslacht op te schrijven (dement of zo, je weet maar nooit). Ik heb het expres in een verhaal van 2 delen geschreven Marieke en Ofsen, want n.m.m. is versnippering van zo'n verhaal juist niet wenselijk. Gooilander, ja veel mensen zijn door de oorlog getekend en hebben daar nog last van. Ik gelukkig niet meer zo veel. Marquerite: ja ik hoorde al vaker van anderen dat ze het bijzonder vinden dat ik zo'n goede herinnering over het verleden heb, met name over mijn heel vroege jeugd. De meesten kunnen zich van hun 3e levensjaar en ook later helemaal niets herinneren. Ofsen: Ik probeerde dat verhaal van jou wat je noemt over Indië te lezen, maar ik kriig jouw weblogartikelen niet open. Misschien komt dat omdat je helemaal niets gerubriceerd hebt en alles onder het hoofdje "algemeen" hebt staan? Ik weet het niet, maar zal het nog eens proberen.

Sunrise  
01 feb 2011 10:26
Hi Marquerite, Ja, het zijn allemaal jeugdherinneringen en de eerste drie jaar wetenschap van mijn moeder. Daar is nog een stukje vergeten wat ik later toegevoegd heb. Het is te lezen in de alinea na:
Dat is ook de reden waarom wij eerst in Karees zijn geinterneerd en pas later naar Banju biru
Ook in deel 2 was ik nog wat vergeten, maar dat staat er nu al in.
groet van Berndt
_





_
Zwerver48.1  
28 jan 2017 19:52
Zo herkenbaar. Mijn eigen ouders woonden in Oost-Java(moeders was Amsterdamse, vader Indisch). Toen de Japanse bezetting startte werd mijn vader reserveofficier bij de Marine in Soerabaja. Begin maart 1942 werden alle marinemensen geëvacueerd. Mijn vader kwam in Engeland terecht op motortorpedobootjagers. Mijn moeder sn zusje belandde in het Jappenkamp. Pas na de oorlog zagen mijn ouders elkaar in Amsterdam weer terug, waar ik in 1948 geboren werd....