Delen     Populaire blogs     Volgende blog »
Blog maken     Inloggen
_
_
Berndt's weblog
No boss, no phone, no worry, no hurry, retired
_
Home__Weblog__Prikbord__Fotoblog__Videoblog__Foto's__Links__Gastenboek__Vrienden__Zoeken__Tip__Login
_

Welkom op mijn Weblog


Hallo, dit ben ik………. Leuk dat je mijn weblog bekijkt. Er is van alles te bekijken. Via “categorieën overzicht" hieronder kan je van alles aanklikken. Laat alsjeblieft een berichtje achter / als “gast” (geen abonnee van 50plussers) is het prettig als U Uw naam erbij zet WELCOME IN MY WORLD



Mijn Profiel

sunrise
Ik ben nu offline

• Mijn profiel
• Privé bericht sturen
• Als vriend toevoegen

Toevoegen als weblog vriend






Zoeken in Google
_



Categorieën Overzicht




Laatste Weblog artikelen

Verbeteringen en vernieuwingen
20 augustus 2016 19:45

Oorlogsmuseum De jaren 1940-19...
02 december 2015 13:19

Mijn vader gedenken
03 november 2015 08:52

Time to say goodbye
02 juni 2015 08:07

Stormnacht 9/10 januari 2015
11 januari 2015 13:51




Fotoboeken


Kevin schaatsen (13)
_
Zuid-Afrika 2006 (214)
_

oude familiefoto's (61)
_
Huis en Tuin (45)
_

Kleinzoon Kevin (123)
_
Bali (228)
_






Weblog Vrienden


Ben en alie mulder
Van: benenalie

Bennekesblogje
Van: Benneke

Blauwe vlinder
Van: Chrisje

Dimphena
Van: dimphena

Hera
Van: hera

Kiekie
Van: Kiekie

Lagazette le rat
Van: paulmazeres

Lienepien
Van: pieneke

Mamsies weblog
Van: mamsie

Mireilles plekje
Van: MireilleAngeline

Mijmeringen
Van: Ofsen

Redsblog
Van: redone

Sterretje
Van: Scooterlady

Sylvias weblog
Van: sylla

Webje van fey
Van: fey




Gastenboek berichten

Berndt
08 mei 2014 10:30
_
Aan nonni Verbrugge Waar wil jij je aanmelden? Bij een club? Zo ja welke? Ben je een 50+ lid? Ik kon je niet vinden onder je naam. De koolmezen zullen als ze al broeden of het broedsel voeren bijna zeker zich niet laten verstoren door lawaai. Ze zullen wel even op een afstand blijven kijken maar laten doorgaans hun gemaakte nest of broedsel niet in de steek. Zorg er voor dat het lawaai niet erg lang duurt, zodat ze tijd krijgen om naar hun nest terug te keren. Misschien is het mogelijk om af en toe een pauze in het lawaai maken in te lassen.

Nonni Verbrugge
07 mei 2014 19:22
_
Ik wil me aanmelden maar gaat helemaal niet. Omdat ik graag van iemand wil weten of de koolmezen,die in mijn nestkastje broeden/ze al voeren,verjaagd worden door lawaai(tractor) in de tuin? En komen de ouders gewoon weer terug op het nast als het rustiger is?Laat even weten"Hoe aanmelden".Gr.Nonni

Novo Indarto
19 december 2013 02:26
_
Try this: Facebook: Kota Toea Magelang Blog: kotatoeamagelang.wordpress.com




Watskeburt Op 50plusser.nl

Door Nico880 om 01:06
_
Nico880 Online

Door nick17 om 01:06
_
Nick17 Online

Door nenne13 om 01:03
_
Nenne13 Online

Door elvira om 01:02
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door elvira om 01:00
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door elvira om 00:59
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door elvira om 00:58
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door jjacqueline om 00:58
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst





_

Andere artikelen



mijn vader gedenken


Mijn vader

Vandaag gedenk ik mijn vader die op 4 augustus 1943 als Japanse krijgsgevangene overleed op het eiland Flores (Indische Archipel). De krijgsgevangenen moesten daar bij de stad Maomere onder extreem slechte omstandigheden een vliegveld aanleggen. Mijn vader heeft dat niet kunnen volbrengen en stierf door buikziekte. Dat overlijden was niet nodig geweest als hem tijdig medicijnen waren toegediend. Zijn stoffelijke resten zijn in eerste instantie begraven op het strand en later door de Nederlandse Oorlogsgravenstichting herbegraven in Bandung (Java) op het ereveld Pandu.

Omdat veel Nederlanders de tweede wereldoorlog in Nederland meemaakten hebben zij wel kennis van de oorlogsomstandigheden in Nederland, maar is bij hen vrijwel niets bekend over de situatie in het voormalig Nederlands Indië onder de Japanse overheersing. Ook heeft de Nederlandse regering in de na-oorlogse periode tot op heden weinig bekend gemaakt daarover, wat bijdroeg tot veel onwetendheid onder de Nederlandse bevolking. Om die reden heb ik het ooggetuigenverslag van mijn vaders dood wat is opgeschreven door één van zijn vrienden hierbij gevoegd. Diegenen die daar interesse in hebben kunnen het lezen.

Het verslag is niet geschikt voor mensen die aan een oorlogstrauma lijden; hen adviseer ik dit niet te lezen.


VERSLAG VAN HET OVERLIJDEN EN DE DAARAAN VOORAF GEGANE TIJD VAN MIJN VADER, B.W.A. PIJNENBURG.

Dit verslag is door een kennis van mijn ouders in briefvorm geschreven en aan mijn moeder gestuurd

Bandoeng, 6 Mei 1946

Geachte Mevrouw,

Uw brief dd. 26 April j.l. bereikte mij Zaterdag j.l. in goede orde en dank.

Inderdaad woonden wij vroeger ook te Tasikmalaja in een huis van de Volkscredietbank, doch ik werkte zelf op een oliefabriek te Tjiamis. Doch dit doet momenteel weinig terzake, de hoofdzaak is, dat ik U nu gevonden heb.

De laatste maanden van zijn leven heb ik vrij veel met Uw man opgetrokken en zal trachten U de gang van zaken zo uitvoerig en duidelijk mogelijk weer te geven, alhoewel er uiteraard wel enige kleinigheden zullen zijn, die thans voor mij ook vervaagd zijn.

Zoals U weet zaten wij na de capitulatie op Garoet, alwaar ik niet veel contact met Uw man had, omdat wij in verschillende barakken lagen. Uw man was daar echter een en al actie en “Pijn”, zoals hij in de wandeling genoemd werd, sloeg zich daar uitstekend door alles heen. Hij maakte daar voor zichzelf een klein houten gebouwtje, waarin hij zowel overdag als ’s-nachts te vinden was. Dit was de “villa” van “Pijn”. Alles ging prima.

Toen werden wij op 22 juni 1942 overgebracht naar Tjimahi. Daar kwamen wij in het zgn. “6e “ en wij lagen daar toen in dezelfde barak. Daarin lagen echter een 200 man ongeveer, dus U begrijpt wel, dat je dan alleen contact onderhield met je onmiddelijke buren. Dit nam echter niet weg, dat ik Uw man vaak zag en sprak. Hier konden wij nog van alles kopen en het eten was behoorlijk, zelfs beter dan op Garoet. Ik ben toen ziek geworden en ziek geweest van 2 September 1942 tot 17 Februari 1943 en werd op 19 October 1942 naar het hospitaal in Tjimahi overgebracht. Reeds in September/October 1942 begonnen de transporten-naar-buiten te lopen. Ik raakte Uw man in de periode van mijn ziekte kwijt, doch trof hem na mijn terugkomst uit het Hospitaal weer aan in dezelfde barak van het zgn. “4e en “9e Bat”. Hij lag toen ook weer geheel aan de voorzijde en ik bijna aan de andere kant. Hij kaartte toen heel veel en amuseerde zich, gezien de omstandigheden, goed.

Als er geslapen moest worden klonk vaak de lach van “Pijn” nog door de barak en waren de op- en aanmerkingen niet van de lucht.

In April daaraanvolgend zat er echter weer een transport in de lucht, waaraan noch Uw man, noch ik zijn ontkomen.

Op 19 April 1943 verlieten wij ’s-avonds per trein Tjimahi, om de volgende morgen plusminus 10 uur te Soerabaja aan te komen. Wij werden toen naar de jaarbeurs aldaar gebracht en het lopen daarheen was een ware zegetocht, want uit alle hoeken en gaten kwamen vrouwen en meisjes tevoorschijn, altijd weer weggejaagd door de Jap en altijd weer opduikend.

Op de Jaarbeurs heerste tot onze schrik een waar schrikbewind. Het was ontzettend, want zoiets was voor ons nieuw. Nadat wij verschillende keren hadden moeten aantreden, stonden wij zaterdagmorgen, 24 April 1943, gepakt en gezakt, klaar voor vertrek. Toen kwam er een inspectie van een hoge Jap, die op een tafel sprong en een speech zou gaan houden. Hij keek het zaakje eens aan en zei: “ik hoop, dat jelui allemaal goed gezond zijn” en sprong weer van de tafel af.

Wij werden toen naar Goebeng gebracht en in de trein gezet. Nu vroegen wij ons natuurlijk af: “waarheen?” Men had ons verteld, dat wij gingen “dobberen”, doch heel diep in je hart heb je dan altijd nog wel een beetje hoop, dat dit niet het geval zal zijn. Maar de bevestiging kwam al spoedig, want wij gingen naar Perak. Daar eerst weer uren moeten wachten en toen werden wij door de “heren” Jappen gedesinfecteerd.

Er lag een schip aan de kade, een deel van ons ging een andere kant op, zoals later bleek ook aan boord van een schip en toen werden wij aan boord “gejaagd”; een beter woord bestaat er niet voor. Mensen die wat veel barang bij zich hadden kregen een stomp en een trap, of het pak dat zij onder de armen hadden werd hen afgenomen, doch het eind van het liedje was, dat wij (een 1000 man ongeveer) terecht kwamen aan boord van de “Tazuma Maru”.

Wij werden tussendeks geladen, waar men tegen de zijwanden van het schip een etage had gebouwd. Een deel ging de “kolong” in (stikdonker), een ander deel ging op de geïmproviseerde etage liggen. Maar zo collegiaal waren de mensen onder elkaar, dat het al spoedig was: “hier is geen plaats meer!”, terwijl die plaats er wel was. Ik ben toen op het luikhoofd tussendeks blijven staan om de zaak eens aan te zien, toen plotseling “Pijn” naast me stond, niet wetende wat hij moest doen. Waar echter al spoedig de Jap aan het slaan ging –er was namelijk nog wel degelijk ruimte, doch men wilde die voor zichzelf reserveren (in krijgsgevangenschap leer je elkaar eerst goed kennen)- rolde ik vlug mijn “Tikertje” uit en ging liggen. “zie zo, dat is mijn plaats!” zei ik. Toen ontstond er enige ruzie, maar ik trok mij daar niets van aan. Uw man zei toen: “En ik dan?”. “Doodeenvoudig”, was mijn antwoord “Jij doet hetzelfde en kom maar naast me liggen, als je tenminste wilt!” Hij heeft dit gedaan en toen hebben wij daar ruim 14 dagen rug aan rug met opgetrokken benen moeten liggen.

Op 25 April ’s-morgens vroeg werd vertrokken en uit de koers konden wij geen wijs worden, want nu weer hadden wij het zonnetje hier, dan weer daar. Wel konden wij zien, als wij zo nu en dan eens boven mochten komen, dat er totaal 5 schepen waren, begeleid door oorlogsscheepjes. Tegen de avond echter voeren wij pal oost en toen wisten wij natuurlijk nog niets.

Het leven aan boord was verre van aangenaam. ’s-Nachts was het stikdonker, de mensen lagen rug aan rug en als je dan ’s-nachts naar boven moest, dan moest je op handen en voeten naar een trap zien te komen. Je had je soldatenschoenen met spijkers aan en als je dan op iemands lichaam stapte, was het natuurlijk een razen en tieren van belang.

Zelf deed je in zo’n geval hetzelfde.

Kwam je boven, dan moest je eerst aan een schildwacht vragen of je naar de wc mocht. Waar vele van die kerels homosexueel waren was e.e.a. vaak niet gemakkelijk. De wc, vlak naast het varkenshok, was natuurlijk ook stikdonker, met gevolg dat je schoenen dik onder het vuil zaten, hetgeen je natuurlijk niet kon zien. Dat vuil bracht je mee naar beneden en in een minimum van tijd heerste er daardoor een buikziekte. Uw man en ik ontkwamen daaraan voorlopig.

Het eten was niet al te best en zoals U al begrepen zult hebben liet de hygienische toestand ook te wensen over. Wij zijn onderweg een deel van het konvooi , te weten 3 schepen en 1 begeleidingsschip kwijt geraakt, (naderhand bleek, dat die naar Ambon zijn gegaan) en zelf stoomden wij door, tot wij aankwamen op Timor-Dilly. Daar werden wij aan het werk gezet om het schip te lossen en hadden wij in de ruimen te werken, aan boord van de prauwen en aan de wal. Dit werk, in het begin laten we zeggen “niet onaardig”, begon al spoedig te ontaarden in slavenarbeid en er waren niet veel mensen meer toe te krijgen om te werken. Speciaal de jongeren voelden daar niets meer voor en lieten rustig hun kameraden in het ruim doorwerken, zonder hen af te lossen. Alleen wanneer er een en ander te stelen viel, dan waren ze er als de kippen bij. Ook hun houding ten opzichte van ons ouderen, was weinig sympathiek. Uw man en ik werkten vaak samen in het ruim, doch Uw man kon het niet volhouden en kon zich hieraan gelukkig verscheidene keren onttrekken, hetgeen ook al niet gemakkelijk ging, want onze eigen officieren waren zo bang als de dood van de Jap, joegen ons maar op, want dan hadden zij er geen last mee.

Wij lagen op dat luik niet zo heel gunstig, want als er gelost moest worden, moesten wij ons hebben en houden bij elkaar zoeken en elders een plaatsje trachtten te vinden. Dit lukte ons wel en dan paste Uw man op mijn barang, totdat ik weer “thuis” kwam.

Toen vertrokken wij naar Laoteng (aan de noordpunt van Timor) en kregen daar van hetzelfde laken een pak. Wij (Uw man en ik) hebben toen ook weer gewerkt, welk werk echter niet voor de poes was want wij werden door de Jap ontzettend opgejaagd. Er konden niet zoveel slengen in het ruim klaarliggen of er werd weer geschreeuwd en geslagen.

Je mocht er uit om te eten, als er anderen beneden kwamen om het werk voort te zetten, maar dat kostte ontzettend veel moeite. Er werden dan vaak vrijwilligers gevraagd om die mensen af te lossen en daar meldden Uw man en ik ons dan maar weer voor aan, want je kon je collega’s daar toch niet de hele dag zonder eten laten werken!

Na Loateng gingen wij naar Koepang, waar wij op 7 Mei aankwamen en ook daar was het van hetzelfde laken een pak. Was ik alleen te Loateng aan de wal geweest, op Koepang gingen Uw man en ik op 8 Mei samen aan wal. Dat kwam zo: wij waren in het ruim aan het werk en mochten toen naar boven om te eten. Nauwelijks boven aangekomen, vroeg de Jap ons wat we daar deden, hetgeen wij hem aan zijn verstand schoten. “Neen”, zei de kerel, “Eten doen jullie aan de wal” en wij werden in een prauw gezet en naar de wal gestuurd om daar de prauwen te lossen, die met barang van ons schip kwamen.

Wij kwamen om half twee aan de wal, nadat wij reeds de hele ochtend behoorlijk hadden gewerkt, kregen toen wat droge rijst met suiker en ontzettend zoete thee. ’s-Avonds hebben wij urenlang tot ons middel in het water gestaan, een ketting vormend, om de kisten enzovoorts door het water heen te halen naar het strand. Wij hadden uiteraard niets anders aan dan een blauw militair broekje en waren kletsnat van de transpiratie. Het lossen van de prauwen, die óf in de branding lagen, óf aan een pier gemeerd, was helemaal niet eenvoudig en om de 10 meter stond een Jap met een eind lat.

Plotseling ging in de loop van de avond het alarmsignaal, de lichten gingen uit en wij hoorden vliegtuiggeronk. Vliegtuigen kwamen boven ons en het afweergeschut van de wal en van de schepen gaf een nummertje weg. Wij moesten tegen de hoge kade- of strandmuur gaan liggen. Hierna wierpen de vliegtuigen lichtfakkels uit en bombardeerden het vliegveld, dat een 4 kilometer van de kust was. Uw man en ik lagen tegen de strandmuur, toen wij plotseling een Timorees met zijn lange haardos tussen ons in kregen met de woorden: “Djangan takoet, toewan”. Er gebeurde ons verder niets, alleen viel het ons tegen, dat wij onmiddellijk daarop weer aan ons werk moesten. Wij hebben toen doorgewerkt tot de volgende ochtend half vier, waarna wij weer naar het schip werden teruggebracht. Kletsnat van transpiratie en water voeren wij in de kille nachtlucht weer naar “huis” om de volgende ochtend om 6 uur weer op te moeten staan, doch toen waren wij weer aan het varen.

De volgende morgen, of beter gezegd, na 24 uur varen, kwamen wij ergens terecht, hetgeen naderhand Maomére (Flores, noord/oostkust) bleek te zijn. Hier werden wij in de middag van 10 Mei 1943 aan wal “gegooid”; een beter woord kan ik er niet voor vinden. Ik raakte toen Uw man kwijt, want ook ik was die dag niet goed geworden en werd in het ziekenkamp opgenomen. Wij moesten eerst een 4 kilometer lopen en kwamen toen in dat “kamp”, dat wil zeggen, wij konden ons neerleggen onder de klapperbomen. Was men een beetje opgeknapt, dan ging men naar Q (Ouarantaine) 1, 2 of 3.

In het ziekenkamp hadden wij een zeer slechte tijd. Naast ons hadden wij een putje om onze behoefte te doen, kregen ’s-morgens, ’s-middags en ’s-avonds pap en 2 maal per dag ongeveer een kwart mok thee. Water was brak en moest uit de omtrek uit putten worden gehaald voor het koken van de pap. Naderhand kregen wij rijst met waloe en zo nu en dan wat varkensvet erbij, hetgeeen voor buikpatiënten uiteraard niet zo goed was. Er stierven toen heel veel van ons. Toen ik naar Q1 mocht, zag ik op een ochtend Uw man, die daar ook was.

Hij zag er, evenals wij alleen, vrij slecht uit en had het in de buik. Enige dagen daarna ging ik naar Q2 en zag Uw man niet meer. Daarna naar Q3. Wij sliepen nog steeds in de open lucht, maakten zelf een tentje, als wij daartoe in staat waren, anders gebruikten wij een pisangblad tegen de zon. In Q3 aangekomen zocht ik een plaatsje. Toen ik daar enige uren was kwam er een jongeman met een waszak op zijn nek, die naast me neergezet werd. Ik voelde er echter niets voor een vreemde zo vlak bij me te hebben, zodat ik begon te sputteren. De man zette de zak toen onder een klapperboom, zodat ik hem vertelde, dat hij daar natuurlijk klappers op zijn kop zou krijgen. Hierop verhuisde hij weer naar mijn kant.

Ik vroeg hem toen:”Is dat zootje van jou?” “Neen” was het antwoord, “van een andere mijnheer”. “Hoe heet die vent?” vroeg ik. “Pijnenburg”, was het antwoord. “Laat die zak maar hier staan” zei ik hem ”en zeg Pijnenburg, dat hij naast van der Mespel komt liggen!”.

Daarna kwam Uw man aanstrompelen, blij dat we weer naast elkaar lagen. Ik heb hem toen met van alles trachten te helpen en we kwamen overeen, dat wij van zijn strozakovertrek een soort tent zouden fabriceren. “Maar ik heb geen fut!” merkte Uw man op. Eindelijk in de loop van de middag heb ik al mijn moed bij elkaar geraapt, een paar gaten gemaakt om stokken in te plaatsen, de overtrek als dak gebruikt en met behulp van nog iemand, hadden Uw man en ik een tent, geen last meer van de zon en misschien ook wel niet van de regen en wij voelden ons de koning te rijk.

Ik haalde thee en eten voor Uw man, want dat lukte hem niet altijd en ik trachtte hem (ikzelf eet vrijwel altijd) aan het eten te krijgen. Dit lukte aardig en er kwam werkelijk enige verbetering. Hij ging wat minder naar de wc, dus had ook meer profijt van het eten.

Toen kwamen er een paar regenavonden. Het water liep uiteraard onze tent binnen. Wij moesten onze tikers en deken oprollen en zelf onder een klapperboom zittend de bui afwachten. Onze bullen werden nat, doch waar de volgende morgen de zon weer scheen was het leed spoedig geleden.

Het zeer onaangename was hier, dat je voor elke Jap die langskwam moest kruipen en dat langskomen was een buitengewone liefhebberij van die kerels, zodat je vrijwel geen ogenblik rust had. Klappen vielen overal, ja zelfs de ernstige zieken kregen opdracht, dat ze op hun knieën moesten gaan, wanneer de “Heren” passeerden. Deze ernstige zieken waren werkelijk meer dood dan levend. Wij zijn toen zo enige tijd doorgesukkeld, tot wij beiden weer zieker werden, moeite hadden ons eten enzovoort te halen, zo vaak moesten wij weer naar de wc. Dag en nacht liep dat door en 20 tot 30 keer per etmaal was geen uitzondering. Anderen haalden toen ons eten en drinken voor ons, doch Uw man begon steeds minder te eten, hoe ik mijn best ook deed hem te animeren.

Beiden nog beroerd er aan toe zijnde, kwam plotseling de opdracht: “Heel Q3 wordt opgedoekt en alles moet naar het gezondenkamp, behalve de ernstige zieken!”. Die gingen naar barakken, die daar inmiddels in de buurt waren gebouwd. Dit was toen op 12 Juni 1943, dat wij voor het eerst een dak boven ons hoofd zouden krijgen.

Geholpen door Dr. Lambooy hebben wij toen onze tent afgebroken en onze bullen gepakt. Uw man voelde er niets voor dat zaakje zelf te dragen en liet alles min of meer slingeren, totdat een mij bevriende jongeman zich over de zaak ontfermde en alles naar de wegkant bracht. Daar kwam een vrachtauto, die ons zieke mensen met een vaart over een zeer slechte weg, waarop een paar decimeter dik stof lag, een 7 kilometer verder reed naar het zgn. “gezonden-kamp”, alwaar wij gelegerd werden in de ziekenafdeling van dat kamp.

Wij hadden toen, zoals gezegd, het eerste dak boven het hoofd, doch sliepen nog steeds op de grond, waar onze tikers opgevreten werden door de rajaps. Wij lagen in een barak, nog geen 30 meter van de zee en vlakbij de latrines, hetgeen allemaal voordelig was, want de zee moest je gebruiken om je etensgerei te wassen enzovoorts. Aangezien wij buikpatiënten waren, mochten wij ons niet in de zee baden en een andere gelegenheid bestond er niet, zodat de korsten vuil zich op onze lichamen vastzetten en wij er, ongeschoren als wij ook nog waren, niet al te fris uitzagen. Licht brandde er ’s-avonds niet, klapperbomen waren in de barak ingebouwd, zelfs midden in het pad, doch al met al hebben wij toch heel dikwijls hartelijk gelachen. Uw man kikkerde toen weer wat op, doch ik ging beter vooruit.

Toen kreeg Uw man ontzettende last van aambeien, was koortsig, veel buikloop, geen eetlust, dus dat was niet zo mooi. Hij begon tegen alles op te zien al heb ik op allerlei manieren getracht hem wat op te fleuren. Het ene ogenblik lukte dat mij beter dan het andere, dat begrijpt U wel, doch het wilde niet erg. Dan deden wij het op een prettige wijze, dan weer pakten wij hem harder aan, dan weer zus, dan weer zo. Ook lieten wij hem wel eens in zijn eigen sop gaarkoken, denkend dat dit misschien enig resultaat zou hebben, doch Uw man bleef klagen, zó erg zelfs, dat wij wel eens dachten, dat hij overdreef en ook de dokter was wel eens die mening toegedaan. Op een gegeven dag zei de dokter tegen Uw man: “Jij bent eigenlijk te ziek om hier te liggen, je moet maar naar een andere barak!”, waarmee Uw man erg blij was, omdat hij juist hetzelfde aan de dokter wilde vragen. Obat was er niet, een beetje zalf voor de aambeien, voor de rest maar blijven liggen en zelf maar zien, dat je jezelf redde. Er waren verpleegsters, althans mensen, die dat werk deden, doch die hadden hun handen vol, want de gehele barak bestond uit zieke mensen.

Om 4 uur ’s-middags ging Uw man toen naar een andere barak. Ik heb alles voor hem ingepakt en een paar verpleegsters hebben hem weggebracht. De behandeling van dokter Mariun was goed; hij besteedde aandacht aan ons, doch hem stonden geen geneesmiddelen ten dienste en Uw man werkte niet meer mee, kon niet meer meewerken, want daar moet hij zich al te ziek voor hebben gevoeld.

Kort daarop was ik weer enige weken achtereen minder goed en kon hem niet bezoeken. De heer Zanen, U wel bekend uit Tasikmalaja, kwam toen echter ook in ons kamp en ik heb hem toen naar Uw man gestuurd met de opdracht hem eens goed aan te pakken en de mededeling, dat ik zou komen, zodra ik weer beter was. Spoedig daarna ben ik naar Uw man gegaan, doch kreeg danig op mijn kop, in de eerste plaats omdat ik zo lang gewacht had met bij hem te komen en in de tweede plaats, dat ik Zanen had gestuurd, want zoals die hem had aangepakt beviel hem niet. Hij was ontzettend blij, dat ik weer kwam en ik moet U zeggen, dat ik nooit iemand zo blij heb gemaakt met mijn bezoek, dan toen Uw man! Het viel mij op, dat hij er niet goed uitzag. Hij lag, zoals wij allen, op een tiker op de grond, had de ondersteek bij zich, had koorts en werd opgegeten van de vliegen, zoals wij trouwens allemaal.

Hij vroeg mij, hoe ik hem vond en ik heb hem toen verteld, dat het wel ging, doch dat hij natuurlijk eten moest, hetgeen hij slecht deed, zoals ik tevoren al bij de verpleger had geïnformeerd. Hij zou toen beter eten als hij geen koorts meer had, dan weer als hij net zo’n eetlust had als ik enzovoorts, enzovoorts, waarop ik hem uiteraard de gevolgen van zijn minder goed eten voorgehouden heb.

Er ging in het kamp toen een gerucht, dat half augustus schepen zouden komen, om de zieken naar Java af te voeren en dat gerucht werd voor Uw man een idee-fixe. “Ik haal het best!” zei hij dan telkens, “want als nu half Augustus die schepen komen en ik in Tjimahi kan komen, dan is alles voor elkaar!”.

Hij herhaalde dit steeds en wij hebben hem maar in die waan gelaten, omdat er tegenin gaan hem verdrietig maakte. Ik ben heel vaak bij hem geweest en dan bekeek hij zichzelf altijd in een handspiegeltje en moest ik zeggen, hoe hij er uit zag.

U begrijpt, dat hij er wel op achteruit, maar helaas niet op vooruit ging. Met een dokter (dr. Schorel) gesproken en die deed het voorkomen, dat hij beter eten moest, hetgeen ik hem dan weer voorhield.

Ik zag hem echter achteruit gaan, terwijl zijn huidskleur mij niet beviel. Hij bleef het in zijn buik houden, had behoorlijk koorts, ontzettend last van zijn aambeien en was niet meer zo monter als hij geweest was.

Toen ik hem ongeveer 20 Juli zou gaan bezoeken, vertelde Zanen me, dat ik beter niet kon gaan, omdat Uw man overgebracht was naar barak 16, de barak waar de ernstig zieken heen gingen. Ik bleef toen op de hoogte van het verloop, doch mocht van de dokter Uw man niet bezoeken, omdat men vreesde, dat ik zieker zou worden, daar ik zelf nog zo ontzettend vatbaar was. De berichten die ons bereikten, waren niet zo mooi. Men heeft mij toen helemaal niet gewaarschuwd, verder niets gezegd, tot ik op een middag, het was 3 Augustus, hoorde dat Uw man buiten kennis was.

De volgende ochtend, 4 Augustus, vernam ik tot mijn spijt dat Uw man was heengegaan.

Wat er toen in mij omging, behoef ik U niet te zeggen.

Had men mij de dag tevoren gewaarschuwd, dan had ik nog even met hem kunnen praten, doch dit is helaas niet gebeurd.

Uw man werd diezelfde dag, tegen het vallen van de avond, ter aarde besteld.

De doktoren Mariun, Schorel, Eeftes en Wulff (de laatste behandelde Uw man in barak 16) hebben gedaan wat in de gegeven omstandigheden kon worden gedaan, ja zelfs meer dan dat, doch het heeft niet mogen baten.

Waar de angst voor infectie groot was, ontdeed men zich altijd ten spoedigste van alle kleren en dergelijke van de overledene en er werd enige tijd daarna gevraagd wie de nalatenschap van Uw man in bewaring wilde nemen, waarmee ik mij toen onmiddellijk heb belast.

De door Uw man achtergelaten zaken zijn zeer gering in aantal, te weten:

Een dassenknijper, een trouwring, een portemonnaie, een sigarettenkoker, een paar manchetknopen, een defect polshorloge en een haarlok.

Teneinde zekerheid te hebben, dat een en ander U bereikt, heb ik de achtergelaten bezittingen van Uw man meegegeven aan mevrouw Nederlof, die dezer dagen met de “Indrapoera” naar Holland vertrekt. Zij heeft beloofd al deze zaken aan U te zullen opzenden.

Mevrouw Nederlof verloor ook haar man, die omkwam op ± 16 September 1945 met een getorpedeerd transport.

Alhoewel U te Singapore over Flores wel veel zult hebben gehoord, meende ik er goed aan te doen U het gebeurde zo uitvoerig mogelijk door te geven en hoop hieraan goed te hebben gedaan.

Mocht U eventueel nog verdere inlichtingen wensen, dan ben ik uiteraard steeds graag bereid U die te verstrekken voor zover het mij althans mogelijk is.

U zou mij een genoegen doen te gelegener tijd even te melden, dat U het een en ander in goede orde heeft ontvangen.

Met vriendelijke groeten en U van ganser harte, mede namens mijn vrouw, het allerbeste wensend, verblijf ik, hoogachtend (was getekend: A. v.d. Mespel)

NASCHRIFT:

Mijn Vader,

B. W. A. Pijnenburg, is geboren op 28 September 1900 te Loon op Zand en was onderwijzer te Berkel Enschot.

In Mei 1929 is hij met het schip de “P. C. Hoofd” vanaf Genua naar het voormalig Nederlands Indië geëmigreerd.

Het doel van zijn emigratie was, dat hij in Indië een beter betaalde onderwijzersbaan had verworven.

In Indië (Java, Bandoeng en later in Magelang) werd hij eerst als onderwijzer en later als schoolhoofd (Tasikmalaja) aangesteld, terwijl hij nóg later werd benoemd tot inspekteur van het onderwijs, ingaande Augustus 1942, doch door het uitbreken van de oorlog in Indië is het daarvan niet gekomen.

Op 22 Oktober 1936 trouwde hij met mijn moeder,

C. M. C. Donders, geboren 18 Januari 1919 te Tilburg.

Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren:

op 15 Mei 1938 te Magelang (Badaän 49) mijn zuster,

M. L. W. Pijnenburg

op 07 Januari 1942 te Tasikmalaja (Manondjajaweg 55) ikzelf,

B. A. Pijnenburg

Op 04 Augustus 1943 overleed mijn vader in krijgsgevangschap te Maomere (Flores)

Omdat het toen de gewoonte was het stoffelijk overschot (om verspreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen) zo snel mogelijk te begraven is dat met het stoffelijk overschot van mijn vader ook gedaan en is hij toen in eerste instantie ter aarde besteld op het krijgsgevangenkerkhof te Maomere (dit lag vlak bij het strand, waar ook het krijgsgevangenkamp Wulff was).

Later op 3 September 1949 zijn de stoffelijke resten van 15 Flores-slachtoffers, waaronder dat van mijn vader, herbegraven op het Ereveld Pandu te Bandoeng. Dit ereveld ligt vlak bij het eerste huis (Bengawanlaan 102 ) wat mijn vader betrok in Bandoeng na zijn emigratie naar Indië, wat de reden voor mijn moeder was om dit ereveld te kiezen als laatste rustplaats voor haar man, mijn vader.

Na de capitulatie van Japan hebben wij (mijn moeder, mijn zuster en ik) nog zo’n twee maanden in Banjoe Biroe (kamp 10) gezeten, waar wij ook vóór de capitulatie waren ondergebracht.

Wij werden nu door de Jap beschermd tegen de bedreigingen die de extremistische Indonesiërs vormden.

Doordat mijn zuster ernstig een besmettelijk ziek was, werden wij daarna naar een ziekenhuis in Magelang overgebracht. Daar werden wij ondergebracht in een kamertje buiten het ziekenhuis, waarschijnlijk een personeelskamer. Omdat het ziekenhuis werd bedreigd door extremisten en er vrijwel geen mogelijkheden waren voor verzorging van mijn zuster, moest mijn moeder haar verzorgen. Vanwege de voortdurende beschietingen rondom het ziekenhuis kwam er voor ons in het buitenliggende kamertje geen verzorging en moest mijn moeder voedsel, medicijnen en dergelijke zelf halen en ook buiten, in het bedreigde gebied, zorgen voor wassen van kledingstukken, wat zij ook nog voor een ander gezin deed, die in dezelfde omstandigheden verkeerden, omdat niemand van dat gezin naar buiten durfde.

Mijn moeder heeft daar geen letsel opgelopen, wel een man die een keer vóór haar liep –misschien een arts of ziekenhulp- welke een schotwond in zijn been kreeg.

Na deze periode zijn wij met een grote vrachtwagen vervoerd naar Semarang en kregen wij ook allen een matras, zodat wij weer enigszins beter de nachten konden doorbrengen. Omdat wij met de dood bedreigd werden, week de vrachtwagen uit naar allerlei plaatsen, waar wij soms urenlang stilstonden.

Uiteindelijk slaagde het transport naar Semarang niet en werden wij tegen de avond ondergebracht in een gebouw wat op een klooster of een schoolgebouw leek in Ambarawa, waar het zó vol zat met vluchtelingen, mannen, vrouwen, kinderen, dat wij de nacht moesten doorbrengen in een brede gang, tesamen opgepropt tussen massa’s vluchtelingen. Er werd ons meegedeeld dat wij om 4 uur in de nacht weer klaar moesten staan voor vertrek.

Omdat ik geen ander kledingstuk meer had dan het totaal versleten broekje wat ik aan had, maakten 4 nonnen die daar waren die avond nog wat kleding voor mij. Deze nonnen -en ook wij- konden toen nog niet bevroeden, dat dit de laatste goede daad zou zijn die zij nog konden doen.

Om 4 uur werden wij weer op transport gesteld naar Semarang en dat duurde –ofschoon we al vlak bij waren- wegens de bedreigingen die we moesten trachten te ontwijken, tot tegen 18 uur.

In Semarang aangekomen werden wij ondergebracht in een leeggemaakte woonwijk aan de stadsrand.

We kregen meteen na aankomst te horen, dat alle mensen in het gebouw van waaruit wij vertrokken waren die ochtend allen om 6 uur in de ochtend vermoord waren !

In het huisje waar wij samen met andere gezinnen werden ondergebracht zijn we ook aan de dood ontsnapt. De wijk was ontruimd van de daar wonende Indonesiërs en die wijk werd daarna vanuit vliegtuigen nog beschoten, denkelijk om eventuele extremisten nog te verjagen. De kogels kwamen toen terecht op- en om het huisje waarin wij waren ondergebracht. Mijn moeder heeft toen ons kinderen snel in de kamer bij de muur neergelegd en matrassen over ons heen gedaan. Ze bleef zelf onbeschut, maar we zijn allen ongedeerd gebleven en zij kon na afloop massa’s kogels in de tuin rondom het huisje vinden. Wij kinderen waren toch al steeds paniekerig en verkeerden nu in nog veel grotere angsten!!

Na enige tijd werden wij overgebracht naar de haven van Semarang, waar wij vrij lang werden geplaatst in een grote ruimte, die in normale tijden kennelijk beschikbaar was voor het plaatsen van goederen voor scheepstransporten, een soort loods. Matrassen op de vloer en dat was alles. Wij kregen blikjes voedsel, wat voor ons toen heerlijk was. Er was geen toilet en voor de vele vluchtelingen slechts 3 wastafeltjes in die ruimte, waar men zich om beurten –in het openbaar- kon wassen.

Onze behoefte moesten wij –eveneens in het openbaar- in zee doen.

Daartoe lag bij de kade en boven de zee een soort rek van buizen, doch zodanig wijd verspreid, dat wij, als wij over die buizen liepen, zeer voorzichtig moesten zijn om er niet tussendoor in zee te vallen. Het kostte mijn moeder veel moeite en leverde veel angsten bij haar en haar kinderen op en ook alle anderen waren doodsbang om in zee te vallen. Er was helaas geen andere mogelijkheid.Daarbij kwam nog, dat je behoefte te doen, waar iedereen bij stond of liep in die haven, ook onaangenaam was, waardoor je niet graag er naar toe ging en dus te weinig, als gevolg waarvan men al gauw aan constipatie ging lijden.

Na verloop van tijd werden wij per schip naar Batavia gebracht en ondergebracht in het kamp Tjideng

Enkele weken later werden wij verscheept naar Singapore en na 2 overnachtingen op het dek of in de benedenruimte van de boot, kwamen wij aan in Singapore, vanwaar wij naar een dorp buiten de stad werden gebracht en nog ongeveer 3 maanden verbleven in een soort kazerne.

In maart 1946 werden mijn moeder, mijn zuster en ik als eersten naar Nederland gerepatrieerd.

(de zieken, wezen en halfwezen met de overgebleven ouder zijn het eerst aan de beurt geweest om naar Nederland terug te kunnen gaan. Mijn zuster was erg ziek door ernstige ondervoeding, waardoor zij direct met het hospitaalschip “de Oranje” is teruggevaren, terwijl mijn moeder en ik korte tijd later met de “Nieuw Amsterdam” naar Nederland teruggevaren zijn).

Wij (mijn moeder en ik) kwamen in Nederland aan op 10 april 1946 en zijn toen de daaraanvolgende 1½ jaar samen met mijn zusje die daar toen al enige tijd was; ze was immers reeds eerder met het hospitaalschip de “Oranje” vervoerd, opgevangen geweest door de zuster van mijn moeder, die samen met haar man ons toen tijdelijk onderdak heeft verleend in hun woning in Den Helder.

Na die tijd is mijn moeder gaan inwonen bij haar ouders in Den Haag en heeft, zodat zij zelf kon gaan werken om extra inkomsten te verwerven, voor ons kinderen een onderdak gevonden bij een boerengezin in de plaats Benschop. Dit echtpaar bood hulp aan meerdere kinderen waarvan het al of niet gebroken gezin hulp behoefde of waarvan de ouders beide overleden waren. Dat gezin bestond uit een echtpaar met een tienerzoon, Adri genaamd, een plusminus twee jaar oud geestelijk onvolwaardig meisje, de moeder van de boerin, een uit de ouderlijke macht onttrokken meisje van mijn leeftijd, genaamd Elsje, en nog twee tienermeisjes, Stefie en Dinie genaamd, die grotendeels samen met de boerin het huishouden bestierden. Daarbij kwamen nu mijn zusje en ik.

Na de doorgebrachte kamptijd als baby en kleuter is dit de mooiste tijd van mijn leven geweest!!!

Buiten dat de boerenvrouw een fantastisch warm en lief mens was,

-waarvan ik in mijn latere leven weinig vergelijkbare meer meemaakte-, was deze omgeving voor mij een eldorado vergeleken met de meegemaakte ellende in de eerste jaren van mijn leven.

Daar zijn mijn zuster en ik ongeveer 2 jaar geweest, waarna ons gezin kon worden verenigd in Den Haag, waar wij een nieuwe flatwoning kregen toegewezen.

de personalia van de heer A. van der Mespel:

Augustinus van der Mespel, geboren te Delft 12 mei 1896, overleden 29 april 1993 (begraven te Bussum, Algemene en Nieuwe RK Begraafplaats), zoon van Hendrikus Johannes van der Mespel en Wilhelmina de Wagemaker.

Nationaal Archief, Japanse interneringskaarten KNIL en Marine, toegangsnummer 2.10.50.03, inventarisnummer 441: Name: Mespel, Augustinus van der; date of birth:12 -5-1896; place of origin: Delft; father’s name: Mespel, Hendrikus Johannes van der; mother’s name: De Wagemaker, Wilhelmina; occupation: admr. [administrateur] Olvado; rank: LST-SGT-INF. 135496 [Landstorm sergeant der infanterie]; unit: LST Afd. Tasikmalaya; place of capture: Bandoeng KEN, Garoet GUN; date of capture: 8-3-1942; destination of report: Mevr. IJ.T. v.d. Mespel, Tjiamis.

Een medewerkster van het Nationaal Archief heft mij deze link gestuurd waarop de Japanse interneringskaart is in te zien:

http://www.gahetna.nl/collectie/index/nt00425/e938a1fa-148f-102f-a8e2-0050569c51dd/view/NT00425_Japanseinterneringskaarten/sort_column/prs_achternaam/sort_type/asc/q/zoekterm/mespel/q/comments/1.

Uit het archief van Bronbeek, 15 augustus 1945: A. van der Mespel, geboortejaar: 1896; rang: sergeant; kampnummer: 3338. Toen hij de brief schreef woonde hij te Bandoeng, Bengawanlaan 78.

Augustinus van der Mespel is dus bijna 97 jaar oud geworden en is bijna vijftig jaar na mijn vader overleden.




Click to play this Smilebox slideshow
Create your own slideshow - Powered by Smilebox
Free photo slideshow customized with Smilebox


Mijn vaders graf




Geplaatst op 03 november 2015 08:52 en 4295 keer bekeken



Deel dit artikel via:





_
R
eacties van leden


Je reactie
Naam   Gast
Reactie   
  _
Captcha_Beveiligingsvraag

Welk dier is dit?
_





_
Gast  24 nov 2011 14:08
Beste Berndt,

Allereerst bedankt voor het bezoeken van mijn site. Ben erg blij met je positieve reacties!

Ben meteen het ooggetuigenverslag gaan lezen. Ongelooflijk heftig, wat jouw vader daar heeft meegemaakt, maar ook moeder en jullie als kleine kinderen. Wel gaaf dat je een verhaal hebt bij wat er toen gebeurd is, dat er mensen waren die dit wilde delen.

Ik ga jouw weblog nu in mijn favo's plaatsen en ga ook zeker regelmatig nog eens een kijkje nemen!

Mvg Steveline www.palmboom-divisie.nl

Rick1948.1  
22 dec 2013 13:29
Zeer indrukwekkend relaas. Mijn eigen moeder was op Java in verschillende jappenkampen geïnterneerd samen met mijn zusje, die maar 1,5 jaar oud was toen ze in het kamp kwam. Mijn vader werd in 1942 in Indië opgeroepen als reserve-officier en kwam in Engeland terecht op de motortorpedobootjagers die op de Noordzee tegen de Duitsers vochten.
Pas na de oorlog zagen mijn ouders elkaar in Amsterdam terug. Uit die hereniging ben ik in 1948 geboren.
Het is goed steeds weer te memoreren wat zich in die periode heeft afgespeeld zodat latere generaties begrip krijgen voor wat zich destijds in Indië heeft afgespeeld.
_





_
Ofsen  
04 aug 2014 13:27
dat klopt. Nederlanders weten weinig wat er in Indië heeft plaats gevonden. vandaar ook mijn boek Het 7e kamp. een intens verhaal die heel wat herinneringen aan Indië weer ophalen. zie verder PB.

Gast  07 jun 2017 13:29
De mevrouw Nederlof die naar ik begrijp de spullen van uw vader heeft meegenomen naar Nederland was mijn grootmoeder. Mijn grootvader is inderdaad omgekomen, op 18 september 1944. Het schip waarmee hij op transport gesteld was (naar de Pakanbaroe spoorweg) werd getorpedeerd en verging. Mijn vader en zijn zusje leven nog.
Groet,
Corinne Nederlof
_





_
Sunrise  
07 jun 2017 20:00
Hallo Corine Nederlof. Ik begrijp dat U de dochter bent van Mevrouw Nederlof die in het relaas van mijn vader genoemd werd. Geweldig leuk dat U hier reageert na het lezen van mijn vaders geschiedenis, uitstekend verwoord door de heer v,d, Mespel. Heeft U hier ook een website? Graag ontvang ik de link daarvan. Vriendelijk groetend. Berndt. eendageraad@ziggo.nl